Home > Publicaties > > Het vervoer

Publicaties van de WOWD:
welzijn in relatie tot het vervoer naar de losplaats

 


Een praktijkstage naar het vervoer en lossing van postduiven
R. den Blanken (2016). Spoor der Kampioenen jrg. 15, nr. 19, p. 14-15

Samenvatting
Op 28 april 2016 reisde WOWD-lid Roland den Blanken mee met het konvooi postduiven van Afdeling 3 (Oost-Brabant) naar de losplaats Laon (Frankrijk). Dit artikel toont een inkijkje in het vervoer en de lossing. Uit infraroodopnamen blijkt dat de temperatuur in de manden aanzienlijk hoger is dan in het centrale gangpad van de wagens doordat in de manden een ‘microklimaat’ wordt gecreëerd. Convoyeurs ervaren dat de duiven bij 25 duiven per Ruco-mand (afmeting: 98,5 x 90 cm; circa 350 cm2 per duif) rustiger zijn dan bij 30 duiven per Ruco-mand (ca. 285 cm2 per duif). Deze praktijkervaring komt overeen met de resultaten van het promotieonderzoek van dr.ir. J. Gorssen van Wageningen Universiteit (zie verder naar onderen op deze pagina).

 [PDF, 793 kB]


Een experiment naar de effecten van mandbezetting op het leefklimaat in de mand en de wateropname van jonge postduiven
R. den Blanken, A. Winkel, W. van Stralen, J. Hilbers, L.W. van der Waart, J.F. Gaiser, R. Reiling (2014). Rapport van de werkgroep WOWD van december 2014. 15 p.

Samenvatting
Uit het promotieonderzoek van dr.ir. J. Gorssen (zie verder naar onderen op deze pagina) is gebleken dat duiven in transportmanden gemiddeld vanaf 32 ºC vochtverdamping gaan inzetten als koelmechanisme (de zogenaamde Bovenste Kritieke Temperatuur, BKT) en zo snel gewicht verliezen. Kunnen duiven dit vochtverlies compenseren door te drinken, dan treedt het gewichtsverlies niet op. Het voorkomen van hoge temperaturen en het kunnen drinken zijn daarmee essentiële randvoorwaarden voor duifvriendelijk vervoer. Dit rapport beschrijft een serie van vier experimenten naar het effect van mandbezetting (15, 18, 21, 26, 30 of 41 duiven per mand = 575, 479, 411, 332, 288 en 210 cm2/duif) op de wateropname/het gewichtsverlies van onervaren jonge postduiven en het leefklimaat in de mand. Uit het onderzoek blijkt dat de luchttemperatuur in de mand licht exponentieel toeneemt met het aantal duiven per mand. Ook de vervuiling van mandkarton met mest en veren neemt toe met het aantal duiven per mand. De exponentieel toenemende temperatuur en het meer platgetrapt/versmeerd zijn van de mest suggereren dat duiven actiever worden bij meer duiven per mand, hetgeen al door dr.ir. J. Gorssen werd gevonden. Kortom: meer duiven = meer kacheltjes, maar deze gaan per stuk tevens “harder branden”. Er werd geen effect gevonden van mandbezetting op wateropname/vochtverlies: bij alle mandbezettingen werd er gedronken (range: circa 10 tot 40 ml per kg duif). Additioneel onderzoek bij de 5 hokken van herkomst van de 151 proefduiven leverde op dat deze duiven toch enige ervaring hadden kunnen opbouwen door mand-achtige voorzieningen in het hok die het vinden van drinken bespoedigen, ondanks dat deze duiven onervaren waren (nooit in een transportmand hadden verbleven). Mogelijk heeft de mandbezetting wél een effect bij geheel onervaren jonge duiven, bij hogere ruimtetemperaturen (hier: 20 ºC) of bij een langere verblijfstijd (hier: 16 uren).

[PDF, 824 kB]


Onderstaande serie van vier rapporten beschrijven een driejarig onderzoeksproject waarin de duivenwagens van Afdeling 9 (Oost-Nederland) stap voor stap zijn geoptimaliseerd.

Optimalisatie ventilatie duivenwagens Afdeling Oost-Nederland – Deel 1: technische beoordeling van de wagens
A. Winkel, W. van Stralen (2011). Rapport van de werkgroep WOWD van februari 2011. 13 p.

Samenvatting
Deelrapport 1 beschrijft een voorstudie waarin één van de zeven wagens (‘proefwagen’, nr. 7) technisch uitvoerig in kaart is gebracht middels foto’s, het opnemen van alle relevante maten, het uitwerken van een schematische tekening van de wagen en het verrichten van metingen van het mechanische ventilatievoud. Uit deelrapport 1 blijkt dat het ventilatiesysteem een complex geheel is bestaande uit vijf verschillende deelsystemen. Met name het geforceerde inblaassysteem realiseert onvoldoende luchtverversing door een zeer krappe dimensionering.

 [PDF, 1.2 MB]

Optimalisatie ventilatie duivenwagens Afdeling Oost-Nederland – Deel 2: klimaatmetingen in de duivenwagens, seizoen 2012
A. Winkel, W. van Stralen (2012). Rapport van de werkgroep WOWD van augustus 2012. 20 p.

Samenvatting
Deelrapport 2 beschrijft de resultaten van metingen van het binnenklimaat (temperatuur en relatieve luchtvochtigheid) van de proefwagen tijdens negen transporten naar losplaatsen in het vliegseizoen 2012. Uit deelrapport 2 blijkt dat wanneer de dakluiken gesloten zijn en er alleen mechanisch wordt geventileerd, de temperatuur in de wagen te zeer oploopt t.o.v. de buitentemperatuur (ΔT variërend van 7 tot 17 ºC). Bij het rijden met acht open dakluiken i.c.m. de mechanische ventilatie worden duidelijk gunstiger ΔT waarden gerealiseerd. Door de wagen bestaat een verticale temperatuurgradiënt (‘boven’ gemiddeld ca. 4 ºC warmer dan ‘beneden’) en een horizontale temperatuurgradiënt (‘voorin’ ca. 2-5 ºC warmer dan ‘achterin’). Wanneer bij aankomst op de losplaats de deuren worden geopend, daalt de temperatuur snel tot waarden net boven de buitentemperatuur. Tot slot suggereren de data een (exponentiele) toename van de temperatuur met het aantal duiven per mand.

 [PDF, 2.5 MB]

Optimalisatie ventilatie duivenwagens Oost-Nederland – Deel 3: technische beoordeling en klimaatmetingen in drie alternatieve typen duivenwagens, seizoen 2012
A. Winkel en W. van Stralen (2012). Rapport van de werkgroep WOWD van oktober 2012. 14 p.

Samenvatting
In deelrapport 3 is, in het licht van deelrapport 2, geïnventariseerd of drie alternatieve modellen duivenwagens, één van Afdelingen 8 (Gelders Overijsselse Unie) en twee van Afdeling 11 (Friesland ’96), beter ventileren dan het model van Afdeling 9. De drie alternatieve wagens zijn op dezelfde wijze technisch in kaart gebracht als voor de proefwagen in deelrapport 1. Vervolgens zijn ook bij deze drie alternatieve wagens metingen van het binnenklimaat verricht tijdens één transport per wagen. Uit deelrapport 3 blijkt dat de wagen van Afdeling 8 een hoog ventilatievoud realiseert, een homogene temperatuurverdeling door de wagen kent, en een gunstige ΔT van 3 tot 8 ºC realiseert. De twee wagens van Afdeling 11 ventileren minder goed: de mandlagen zitten hier op elkaar gestapeld (geen verticale tussenruimte) en de ventilatie loopt voornamelijk langs een kortsluitstroom via gangpadbodem/plafondventilatoren en niet door of vlak langs de manden, waardoor de ΔT in de mand varieert tussen 7 en 13 ºC.

 [PDF, 2.1 MB]

Optimalisatie ventilatie duivenwagens Oost-Nederland – Deel 4: klimaatmetingen in aangepaste duivenwagens, seizoen 2013
A. Winkel en W. van Stralen (2013). Rapport van de werkgroep WOWD van oktober 2013. 13 p.

Samenvatting
Op basis van deelrapporten 1, 2 en 3 zijn de zeven wagens van Afdeling 9 op twee manieren aangepast. De eerste betrof een ‘hardware aanpassing’: de inlaten van het inblaassysteem werden verplaatst van zijwand naar het dak en voorzien van kleine luchthappers. De tweede betrof een ‘software aanpassing’: het aantal duiven per mand werd verlaagd van 31 (korte vluchten) en 28 (middellange vluchten) naar 25 voor alle vluchten (ca. 350 cm2/duif). Hierna zijn alle zeven wagens doorgemeten t.a.v. hun ventilatievoud. De zeven wagens bleken zeer vergelijkbaar te ventileren. Het inblaassysteem realiseerde na aanpassing circa 13-17 verversingen van de wageninhoud per uur, tegen 5 in deelrapport 1, hoewel dit nog steeds onvoldoende is om in balans te werken met de afzuigventilatie van circa 23-27 verversingen per uur. Metingen van het binnenklimaat tijdens een viertal transporten in het vluchtseizoen 2013 toonden ΔT waarden van 8-10 ºC. Zuivere vergelijkingen met transporten onder vergelijkbare condities uit deelrapport 2 zijn echter moeilijk te maken.

[PDF, 624 kB]

Temperatuur in wagen 7 van Afdeling 9 (Oost-Nederland) tijdens het transport van de jonge-duivenvlucht vanuit Heusden-Zolder van 22 juli t/m 24 juli 2016
A. Winkel (2016). Uitwerking van een eenmalige ‘vinger aan de pols’ meting van het binnenklimaat in proefwagen nr. 7, op verzoek van het Bestuur van Afdeling 9. September 2016, 1 p.

[PDF, 127 kB]


Klimaatkamerexperimenten naar de effecten van temperatuur tijdens nagebootst transport op het thuiskeervermogen van jonge postduiven
J.F. Gaiser, G.A. van Oortmerssen, A. Winkel, L.W. van der Waart, J. van der Sluis (2007). Rapport van de werkgroep WOWD in samenwerking met de Katholieke Universiteit Leuven. xx p.

Samenvatting
[Volgt binnenkort]


Onderstaande serie van drie rapporten beschrijven een driejarig onderzoeksproject (1999-2001) in de duivenwagens van Afdeling 11 (Friesland ’96) als vervolg op het promotieonderzoek van dr.ir. J. Gorssen. Op basis van dat promotieonderzoek adviseert de WOWD een maximale grenswaarde van 28 ºC tijdens transport. In het onderhavige onderzoeksproject is onderzocht welke temperaturen werkelijk voorkomen in duivenwagens en welke verschillen daarbij optreden binnen en tussen wagens.

Welzijn van postduiven tijdens transport. Deel I, temperatuur en relatieve luchtvochtigheidmetingen: een pilotstudie
M.J.W. Heetkamp, J.W. Schrama (2000). Onderzoeksrapport Wageningen Universiteit en Researchcentrum, leerstoelgroep Adaptatiefysiologie. 17 p.

Samenvatting
Deelrapport 1 beschrijft een pilotproject waarin metingen van het binnenklimaat (temperatuur en relatieve luchtvochtigheid) zijn uitgevoerd tijdens 7 transporten in 1999 met twee typen wagens (een ‘oplegger’ en een ‘opzetcontainer’). Doel van dit project was de haalbaarheid van de meetmethoden en -strategie te beoordelen. In het project zijn een groot aantal problemen aan het licht gekomen, zoals: falende meetapparatuur, het niet invullen van logboeken, miscommunicatie of te tijdrovende handelingen. Geconcludeerd wordt dat diverse verbeteringen doorgevoerd moeten worden om dergelijk onderzoek op grotere schaal uit te voeren.

Klik hier om de PDF te openen
vanaf de website van
Wageningen Universiteit en Research

Welzijn van postduiven tijdens transport. Deel II: Klimaatmetingen tijdens transport van duiven: verschillen binnen en tussen transportwagens
M.J.W. Heetkamp, J.W. Schrama (2001). Onderzoeksrapport Wageningen Universiteit en Researchcentrum, leerstoelgroep Adaptatiefysiologie. 36 p.

Samenvatting
Deelrapport 2 beschrijft een vervolgproject waarin met een ander meetsysteem voor temperatuur en relatieve luchtvochtigheid metingen zijn verricht in zowel een type ‘oplegger’ als ‘opzetcontainer’ gedurende 5 transporten. Van 4 transporten werden valide data verkregen (zie Bijlage 2b). Tijdens deze 4 transporten varieerde de opwarming van de ventilatielucht (ΔT) tussen 1 en 15 ºC, afhankelijk van het transport en de positie in de wagen. De gemiddelde ΔT waarden per wagen en transport varieerde van 4 tot 10 ºC. Omdat geen van de transporten tijdens warme dagen plaatsvond, werd de grenswaarde van 28 ºC slechts nu en dan overschreden. Gedurende nog eens 6 transporten werd een conventionele oplegger vergeleken met een oplegger uitgerust met een mechanisch ventilatiesysteem. Van slechts 2 transporten werden valide data verkregen. Op basis van deze beperkte dataset lijkt de aangepaste oplegger 2-3 ºC lagere temperaturen te realiseren tijdens het feitelijke rijden.

Klik hier om de PDF te openen
vanaf de website van
Wageningen Universiteit en Research

Welzijn van postduiven tijdens transport. Deel III: Klimaatmetingen tijdens transport van duiven: verschillen binnen en tussen transportwagens – aanvullende metingen zomer 2001
M.J.W. Heetkamp, J.W. Schrama (2002).  Onderzoeksrapport Wageningen Universiteit en Researchcentrum, leerstoelgroep Adaptatiefysiologie. 16 p.

Samenvatting
Deelrapport 3 beschrijft additionele metingen waarin een conventionele oplegger wordt vergeleken met een oplegger uitgerust met een mechanisch ventilatiesysteem, tijdens warme dagen. In totaal werden drie transporten bemeten waarvan slechts één transport valide data opleverde (bij een transport was er geen sprake van een warme dag en bij een ander transport reden de wagens naar verschillende losplaatsen en dus niet simultaan). De ene bruikbare meting suggereert opnieuw dat de aangepaste oplegger iets lagere temperaturen realiseert tijdens het feitelijk rijden.

Klik hier om de PDF te openen
vanaf de website van
Wageningen Universiteit en Research


Onderstaande serie publicaties zijn het resultaat van een promotieonderzoek door dr.ir. J. (Jos) Gorssen (Kaulille, België; 1967) aan de toenmalige Landbouwuniversiteit Wageningen, van augustus 1991 tot november 1995, over het onderwerp: ‘Klimaatbehoeften van postduiven tijdens transport’. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Postduivenhouders Organisatie (NPO) met financiële ondersteuning van de (toenmalige) Veterinaire Dienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Het heeft geleid tot een proefschrift met zes hoofdstukken met onderzoeksresultaten (waaruit twee Engelstalige wetenschappelijke artikelen zijn verschenen), en een drietal Nederlandstalige rapporten voor de NPO en niet-wetenschappelijk gevormde lezers.

Thermoregulatory and behavioral characteristics of racing pigeons housed under transport conditions = warmteregulerende en gedragskarakteristieken van postduiven gehuisvest onder transportomstandigheden (Engelstalig)
J. Gorssen (1995). Proefschrift/dissertatie, Department of Animal Husbandry, Wageningen Agricultural University. 159 p.

Samenvatting
Het promotieonderzoek van dr.ir. J. Gorssen is succesvol afgesloten met onderstaand Engelstalige proefschrift, bevattende zes hoofdstukken met onderzoeksresultaten. Hieruit zijn twee Engelstalige wetenschappelijke artikelen verschenen.

Klik hier om PDF te openen
vanaf de website  van
Wageningen Universiteit en Research

Klimaatbehoeften van postduiven tijdens transport, fase I
J. Gorssen, W. van der Hel (1993). Onderzoeksrapport Landbouw Universiteit Wageningen, vakgroep Veehouderij. 72 p.

Samenvatting
Deelrapport 1 geeft eerst een inleiding in de warmtehuishouding (‘thermoregulatie‘) bij warmbloedige dieren, zoals vogels. Uit een voorexperiment blijkt vervolgens dat bij een verblijf van duiven in transportmanden bij 43 ºC en zonder drinkwater de eerste duiven na ca. 15 uren sterven en na ca. 23 uren zijn 14 van de 15 proefduiven gestorven. In een referentiegroep van nog eens 15 duiven bij 23 ºC en met drinkwater blijken die duiven nog in blakende conditie (gemiddeld gewichtsverlies: 3,2%).

Vervolgens beschrijft het rapport experimenten naar de effecten van de temperatuur tijdens het transport (i.c.m. effecten van leeftijd, geslacht en waterbeschikbaarheid) op de warmteproductie (in kiloJoule per kg metaboolgewicht per dag), lichaamstemperatuur, lichaamsgewicht, hematocrietwaarde in het bloed, energie- en stikstofgehalten van de borstspieren, en de sterfte. Samengevat blijkt uit deze experimenten:

  • jonge duiven produceren gemiddeld 5,2% meer warmte (per kg lichaamsgewicht) dan volwassen duiven;
  • in het traject tussen 15 en 32 ºC neemt de warmteproductie van duiven af met de temperatuur (ca. 14% over dit traject: van ca. 490 naar ca. 420 kJ/kg metaboolgewicht per dag). Bij duiven met drinkwater blijft de warmteproductie ook tussen 32 en 39 ºC verder stabiel. Bij duiven zonder drinkwater neemt de warmteproductie tussen 32 en 39 ºC echter juist weer toe (door actief ‘hijgen’): de Bovenste Kritieke Temperatuur (BKT) bedraagt hier dus gemiddeld 32 ºC;
  • jonge duiven zijn iets gevoeliger voor gewichtsverlies (vochtverlies) dan oude duiven: jonge duiven verliezen onder vergelijkbare condities ongeveer 0,3 procentpunt meer gewicht dan oude duiven (gedurende 24 uren);
  • in het traject tussen 15 en 32 ºC is het gewichtsverlies stabiel: ca. 3-6% voor duiven met de beschikking over drinkwater en ca. 6-8% voor duiven zonder beschikking over drinkwater (gedurende 24 uren). Bij duiven met drinkwater blijft het gewichtsverlies ook tussen 32 en 39 ºC verder stabiel. Bij duiven zonder drinkwater neemt het gewichtsverlies tussen 32 en 39 ºC echter juist weer toe (door actief ‘hijgen’): tot ruim 16% van het lichaamsgewicht bij 39 ºC (gedurende 24 uren). Dit temperatuurtraject is een gevaarlijke situatie die eindigt in uitdroging, stijging van de lichaamstemperatuur en sterfte;
  • boven de Bovenste Kritieke Temperatuur (BKT) van 32 ºC nemen, naast de warmteproductie en het gewichtsverlies, ook de hematocrietwaarde in het bloed en de lichaamstemperatuur toe. De hematocrietwaarde stijgt van een stabiele 51-56% beneden de BKT naar waarden tot 57-65% boven de BKT. Dit wordt veroorzaakt door vochtverlies. Bij temperaturen boven de BKT wordt het bloed dus stroperiger. De lichaamstemperatuur stijgt van een stabiele 40.8-41.8 ºC benden de BKT naar waarden tot 42.6-43.2 ºC boven de BKT;
  • de gedragsactiviteit van duiven in transportmanden volgt een duidelijk licht/duisterpatroon met een stabiel lage activiteit tijdens de duisterperiode en een factor 2-4 hogere activiteit tijdens de lichtperiode.

 Klik hier om de PDF te openen
vanaf de website van
Wageningen Universiteit en Research

Klimaatbehoeften van postduiven tijdens transport, fase IIa
J. Gorssen, P. Koene (1994).  Onderzoeksrapport Landbouw Universiteit Wageningen, vakgroep Veehouderij. 50 p.

Samenvatting
Deelrapport 2A beschrijft eerst een serie experimenten naar de effecten van temperatuurschommelingen tijdens het vervoer. Er werden vier varianten temperatuurschommelingen beproefd: (a) 15 > 22 > 8 > 15 ºC, (b) 22 > 8 > 22, (c) 35 > 42 > 28 > 35 ºC, en (d) 42 > 35 > 42 ºC. Daarnaast waren er twee referentiegroepen met elk een constante temperatuur van 15 of 35 ºC. Deze in totaal zes varianten duurden 24 uur waarbij de duiven geen drinkwater ter beschikking hadden. Samengevat blijkt dat 11 van de 60 proefduiven stierven in variant (c) en nog eens 2 van de 60 proefduiven in variant (d). Bij 7 van de 13 dode duiven bedroeg het gewichtsverlies 15-17%. Deze duiven zijn gestorven van uitdroging en oververhitting. Bij de overige 6 dode duiven bedroeg het gewichtsverlies echter ‘slechts’ 9-11%. Uit het onderzoek blijkt dat temperatuurpieken sterke onrust onder de duiven veroorzaakt. Deze activiteitspieken geven meer warmte dan ‘weggekoeld’ kan worden door vochtverdamping. De duiven sterven zo ten gevolge van acute oververhitting, zelfs al is er nog verdampbaar lichaamswater voorradig. Uit deze eerste serie experimenten blijkt het gevaar van kortstondige temperatuurpieken, ook al komen duiven nog niet in een kritiek gebied van waterverlies.

Vervolgens beschrijft deelrapport 2A een serie experimenten naar de effecten van mandbezetting op de warmteproductie en het gedrag van duiven. Hierin werden de volgende oppervlakten per duif betrokken: 630, 420, 350, 280 en 210 cm2/duif, overeenkomend met respectievelijk ongeveer 13, 20, 24, 30 en 41 duiven per Ruco-mand (98,5 × 90 cm buitenwerks; intern oppervlak: 8625 cm2). Samengevat blijkt uit deze experimenten:

  • de warmteproductie van de duiven neemt overdag licht exponentieel toe met het aantal duiven per mand. Met andere woorden: meer duiven = meer kacheltjes, maar deze gaan per stuk tevens “harder branden”. Waarschijnlijk ontstaan er ‘kettingreacties’ van activiteit door de mand bij hogere mandbezettingen omdat de beweging van één duif sneller tot een reactie leidt van buurduiven;
  • duiven pikken niet vaker bij meer duiven per mand, echter: de kans dat een pikbeweging doel treft verdubbelt van 24 naar 30 duiven per mand en verdrievoudigd van 24 naar 41 duiven per mand;
  • het aantal beschadigingen van neusdoppen en oogranden neemt lineair toe van ca. 1 beschadiging per 10 duiven bij 13 duiven per mand naar ca. 3 beschadigingen per 10 duiven bij 41 duiven per mand. Overigens werd ook een effect van geslacht gevonden: het aantal beschadigingen per 10 duiven lag telkens iets hoger bij doffers t.o.v. duivinnen;
  • het % van de tijd dat besteed wordt aan ‘stilzitten’ stijgt lineair van ca. 35% bij 13 duiven per mand naar ca. 65% bij 24 duiven per mand tot ca. 85% bij 41 duiven per mand. De ‘mobiliteit’ van duiven door de mand neemt dus af met de mandbezetting;
  • het % van de tijd dat besteed wordt aan ‘veren poetsen’ (een graadmeter voor het welbevinden van de duif) daalt lineair van ca. 7-14% bij 13 duiven per mand tot vrijwel nul bij 41 duiven per mand;

In algemene zin blijkt uit deze tweede serie experimenten in deelrapport 2A dat het welzijn van de duiven afneemt met de mandbezetting. Deze effecten zijn het meest prominent aanwezig bij meer dan 24 duiven in een Ruco-mand (oftewel minder dan 350 cm2/duif: zie p. 52).

Klik hier om de PDF te openen
vanaf de website van
Wageningen Universiteit en Research

Klimaatbehoeften van postduiven tijdens transport, fase IIb
J. Gorssen, P. Koene (1995).  Onderzoeksrapport Landbouw Universiteit Wageningen, vakgroep Veehouderij. 24 p.

Samenvatting
In Deelrapport 2B wordt met name ingegaan op het meest geschikte convoyagevoer voor postduiven tijdens transport. In de praktijk van de jaren negentig werd vooral mais of erwten gevoerd omdat deze groot en goed zichtbaar zijn in manden en omdat de duiven dit van hun thuishok (her)kennen. Deelrapport 2B beschrijft een serie experimenten waarin duiven mais, erwten of beide voorgeschoteld kregen. Onderzocht werd de opname (consumptie), verteerbaarheid (opname uit de darmen) en benutting (verbruik of opslag) van zowel energie als eiwit uit deze twee voedingsproducten. Daarnaast werd de wateropname onderzocht. Samengevat blijkt uit deze experimenten:

  • Als duiven onbeperkt mais óf onbeperkt erwten wordt voorgeschoteld (en dus geen keuze hebben), dan eten zij in beide gevallen circa 38 gram per duif per dag. De voeropname verschilt dus niet tussen mais en erwten. Echter; als duiven de keuze wordt geboden tussen mais én erwten, dan eten zij circa 33 gram per duif per dag, waarvan circa 27 gram mais en circa 6 gram erwten. Duiven hebben dus een sterke voorkeur voor mais boven erwten. Sommige duiven eten, indien zij de keuze hebben, zelfs in het geheel geen erwten;
  • Duiven die onbeperkt mais wordt voorgeschoteld – en ca. 38 gram per dag eten – drinken ca. 43 mL water per dag. Duiven die onbeperkt erwten wordt voorgeschoteld – en eveneens ca. 38 gram per dag eten – drinken ca. 64 mL water per dag. Het eten van erwten vergt dus een grotere wateropname dan mais;
  • Van iedere 100 kJ energie uit mais die een duif eet, scheidt zij 65 kJ weer uit via de mest en wordt 35 kJ werkelijk opgenomen uit de darmen. Van iedere 100 kJ energie uit erwten die een duif eet, scheidt zij 78 kJ weer uit via de mest en wordt 22 kJ werkelijk opgenomen uit de darmen. Procentueel is de energieopname uit mais dus groter dan uit erwten.
    Van de opgenomen energie uit mais wordt vervolgens circa 57% verbruikt in de spierverbanding en circa 43% opgeslagen. Van de opgenomen energie uit mais wordt circa 67% verbruikt in de spierverbranding en circa 33% opgeslagen. De energievastlegging uit de opgenomen energie uit mais is dus groter dan voor die uit erwten;
  • Van iedere gram eiwit uit mais die een duif eet, scheidt zij 0,68 gram weer uit via de mest en wordt 0,32 gram opgenomen uit de darmen. Van iedere gram eiwit uit erwten die een duif eet, scheidt zij 0,92 gram weer uit via de mest en wordt 0,08 gram opgenomen uit de darmen. Procentueel is de eiwitopname uit mais dus groter dan uit erwten;
  • Hoewel mais koolhydraatrijk is, en erwten eiwitrijk, zetten duiven per saldo toch zowel meer energie als eiwit aan uit mais dan uit erwten omdat veel van de energie en eiwit uit erwten verloren gaat via de mest. Dit is niet alleen procentueel zo (% opname van eiwit in deze twee voedingsproducten), maar ook absoluut: uit een dagportie mais van 38 gram met daarin 3,4 gram eiwit (9%) wordt (32% van 3,4 gram=) 1,1 gram opgenomen. Uit een dagportie erwten van 38 gram met daarin 9,1 gram eiwit (25%) wordt echter slechts (8% van 9,1 gram =) 0,7 gram opgenomen.

 Klik hier om de PDF te openen
vanaf de website van
Wageningen Universiteit en Research

 

Belangrijke publicaties van andere (niet-NPO) organisaties

De WOWD beschikt niet over het copyright van deze publicaties, daarom wordt telkens doorgelinkt naar de publicatie op de website van de uitgever.


The influence of stress from transport and handling on hematologic and clinical chemistry blood parameters of racing pigeons = De invloed van stress door transport en handelingen op hematologische en klinisch-chemische bloedwaarden van postduiven (Engelstalig)
A. Scope, T. Filip, C. Gabler, F. Resch (2002). Avian Diseases 46, p. 224-229.

Klik hier om naar het artikel te gaan
op de website van het
wetenschappelijke tijdschrift


Raumluftklimatische Untersuchung im Kabinenexpress bei Reisetauben = Binnenklimaat onderzoek in transportwagens voor postduiven (Duitstalig)
V. M. Ecker (2008). Proefschrift/dissertatie, Klinik für Vögel der Ludwig-Maximilians-Universität, München.

Klik hier om de PDF te openen
vanaf de website  van de
Ludwig-Maximilians-Universität München